Kleding en versiering

Vroeger waren er geen kleren zoals wij die nu kennen. De mensen sloegen huiden van dieren om zich heen. Denk aan de tijd van de hunebedden.

Yagán-indianen droegen meestal niets. Ze leefden vrijwel naakt in het koude gebied van Vuurland. Huiden zaten hen in de weg bij het peddelen en jagen vanaf de boot. Als ze al iets droegen, was het een klein stukje om de schouders. Om warm te blijven, smeerden ze zich in met klei, olie en vet van dieren. Ze zaten vaak dicht bij het vuur, warmden daaraan een stukje dierenhuid op en drukten dat tegen zich aan.

De Yagán beschilderden soms hun gezicht met strepen en punten.
Zwart (met houtskool) als ze pijn hadden en rouwden om een overleden familielid.
Rood (uit verbrande aarde) bij vrede, plezier en geluk.
Wit (met klei) als ze boos waren en ruzie hadden.
Rood was hun favoriete kleur. Ze zetten geen tatoeages.

Een vrouw kreeg wel eens een ketting van schelpen cadeau, of ze maakte die zelf. Ook werden ter versiering botjes genaaid op een bandje van leer. Ze gebruikten die als haarband, halsketting, arm- of enkelband. Een enkele keer maakten ze zwarte en witte (ganzen)veren vast op een muts of kap op het hoofd; dit was minder de gewoonte bij de Yagán dan bij de indianen op het vasteland (Selknam-indianen).