Voor elke situatie hadden de Yagán gereedschap bedacht. In de vorm die nodig was: bijvoorbeeld rond of achthoekig. Hout of bot voor vishaken en harpoenpunten; scherpe schelpen als messen. Het visgerei lag altijd voorin de kano, op de plaats waar de vader stond. Achterin peddelde de moeder de kano en bewaarden ze alle andere bezittingen: in een mandje gemaakt van zeewier zat gedroogd materiaal om vuur te maken, wat gezichtsverf, speerpunten en misschien een bundeltje vis. In het midden zaten de kinderen die het vuur aan moesten houden. In maar één streek, ver weg in het noordwesten, op het eiland Clarence en op enkele eilandjes in het Cockburn kanaal, was vuursteen te krijgen. De man hield de vuursteen daarom veilig bij zich in een klein leren tasje om de nek. Vuur werd aangestoken door vuursteen te slaan tegen staal of pyriet en met behulp van veertjes of droge paddenstoelen. Of ze leenden een heet houtskooltje van een buurvrouw. Vuur was belangrijk om eten op te koken en om warm te blijven. Het ging overal mee naartoe. Het werd in de kano meegenomen en het strand op gedragen naar een kampeerplaats. De vrouwen visten. Zonder haak, met een slak aan een lijn. Een steen hield de lijn naar beneden. Met de ene hand haalden ze de lijn op, met de andere hand pakten ze de vis. Vrouwen doken zomer en winter (koud!) onder water naar zee-egels.

Op de foto zie je een opgraving van een kampeerplaats van de Yagán. Er zijn stukjes gereedschap en resten van eten gevonden.